Over de grens ?!


Deel 1: de basis
Als kind ging ik zomers graag de grens over. Ik heb nog een papier met vragen van m’n moeder om ons tijdens de reis bezig te houden. Eén van de vragen was: hoe vaak gingen we de grens over? Of het zeven of acht was weet ik niet meer. Ik weet nog wel dat ik iedere passage graag noteerde.

1. Contacten en contrasten
Tien jaar geleden zijn mijn vrouw en ik samen met onze vier kinderen de grens ook over gegaan. Van 1998 tot 2003 mochten we leven en werken binnen de ERCC in Congo. De keren dat we de grens over gingen waren niet meer te tellen. Ik heb het aantal verschillende vliegtuigen nog een tijdje bijgehouden. Maar ook dat lukte niet meer. We tellen nu alleen het aantal landen waar we zijn geweest. Je verlegt je grenzen. Zo gaat dat.
Dat doen we allemaal. De wereld is een dorp geworden. Radio en tv delen ons al langer van alles mee. Maar via www zoeken we nu ook zelf achter onze pc: één trefwoord en druk op de knop en je hebt alle info in een notendop. Tot voor kort had je alleen vaste telefonie thuis. Vandaag belt iedereen overal mobiel: wie tot tien kan tellen kan de hele wereld bellen. Nog niet zo lang geleden deed je stage om de hoek. Nu ga je internationaal op zoek. Veel vroegere familiebedrijven zijn vandaag multinationals. Ook kerkelijk weten we ons meer en meer onderdeel van een wereldwijd geheel. Dat laatste willen steeds meer mensen ook concreet beleven door (tijdelijk) onder verre naasten te leven. Je verlegt je grenzen. Zo gaat dat.
Ons verblijf over de grens heeft ons leven verrijkt. We ontdekten ook dat het niet zo makkelijk is als het lijkt. Je bent een spin in een groot web met allerlei relaties zoals je gezin, je buurt, je team, je doelgroep, je partnerkerk, je zendende kerk, je thuisfrontcommissie, je achterban en last but not least je God. Er zijn er nog wel meer. En al die relaties kun je nog weer uitsplitsen. Wat een contacten! Daar komt nog wat bij. Over de grens zijn naast overeenkomsten ook (ingrijpende) verschillen tussen arm en rijk en in manieren van doen. Wat een contrasten! Ondanks schrijnende contrasten hebben we genoten van contacten over grenzen en culturen heen.
Graag delen we iets van onze (beperkte) ervaring. Voor alle duidelijkheid: we hebben geen (veld)onderzoek gedaan onder (ex)uitgezondenen en partners elders in Gods wereld . We hebben ook geen literatuurstudie gedaan . We refereren aan wat we zelf hebben meegemaakt. En aan wat we af en toe om ons heen horen. Bij mensen die langer of korter in het buitenland hebben gezeten riep ons verhaal veel herkenning op. Dat gaf de vrijmoedigheid het op papier te zetten. Zowel voor zendende instanties als voor (toekomstig) uitgezondenen.

2. Regelmatig problemen
De ervaring leert dat één op de drie uitzendingen over de grens mislukt. Hoewel elk verhaal op zichzelf staat, zijn er wel een aantal oorzaken te noemen in de diverse fases van het traject.

a) voortraject
De professionaliteit van werving, selectie en opleiding liet te wensen over. Een onduidelijk profiel van de gezochte uitgezondene en zijn of haar taakomschrijving (werving), de afwezigheid van een onafhankelijk assessment waarin de kans van slagen van de uitzending wordt beoordeeld (selectie) en een te korte, te weinig realistische en/of te weinig adequate training voor vertrek (opleiding) kunnen leiden tot een voortijdig einde van de missie. Naast deze niet-persoonsgebonden factoren is oog voor persoonsgebonden factoren ook van groot belang: krijgen beoogde uitgezondenen tijdens hun opleiding ruimte voor voortgaande zelfselectie: ‘wil ik dit echt’? En hebben zendende instanties de ruimte om na de opleiding toch van uitzending af te zien?

b) middentraject
De kwaliteit van de begeleiding was ondermaats. Onduidelijke afspraken over rapportage (aan wie, wat, wanneer) en feedback daarop, over functioneringsgesprekken (met wie, wanneer, waarover), over gezamenlijke evaluatiemomenten (met wie, wanneer, waarover) en over te raadplegen sparringpartners c.q. uitlaatkleppen als het (even) niet gaat kunnen leiden tot irritatie, frustratie en voortijdig afhaken. Naast deze niet-persoonsgebonden factoren is aandacht voor persoonsgebonden factoren ook in dit verband essentieel. Waar kunnen uitgezondenen en hun gezinsleden hun verhaal kwijt? Hebben zendende instanties voldoende ervaring en expertise in huis voor goede begeleiding?
De intensiteit van leven en werken over de grens werd onderschat. Leven in een andere cultuur met andere manieren van doen, een ander klimaat en een andere taal kost sowieso extra energie. Vaak is alles in het buitenland wat extremer, ook je eigen manier van reageren; de balans is sneller zoek. Ook dat kan vervroegde repatriëring tot gevolg hebben. Trek je er als gezin op uit dan ben je in een bepaald opzicht kwetsbaarder: als één gezinslid ziek wordt of z’n draai absoluut niet vindt, moet het hele gezin soms terug.

De diversiteit van relaties gaf teveel stress. Het leven in veel verschillende multiculturele verbanden (dichtbij: je buurt, je team, je partnerkerk je doelgroep; ver weg: je zendende kerk, je thuisfrontcommissie, je familie, je achterban) vraagt veel sensitiviteit en flexibiliteit. Vooral omdat in al die relaties een (tegenstrijdig) appel op je wordt gedaan en normen en waarden vaak anders gerangschikt worden dan jij verantwoord vindt. Het bepalen van je primaire loyaliteit, het constant moeten switchen in de vele verbanden en de voortdurende omgang met allemaal andersdenkenden kan fysiek en mentaal zoveel van je vragen dat het voor alle betrokkenen beter is dat je eerder stopt.

c) natraject
Het belang van debriefing werd niet onderkend. Iedereen weet dat de omgekeerde cultuurschok soms groter is dan de stap over de grens. In veel gevallen wordt (voorbereiding op) terugkeer als laatste fase van uitzending echter niet expliciet opgenomen in het traject. De missie wordt in dit geval weliswaar niet vroegtijdig afgebroken, maar de kans bestaat dat de uitzending op deze manier nooit goed wordt afgesloten. Wanneer er onvoldoende aandacht was voor terugkoppeling en reïntegratie kunnen uitgezondenen jaren na dato nog in problemen komen.

d) hele traject
De eigenheid van uitgezondenen werd onvoldoende verdisconteerd. Een grijze muis zal stad en land niet gauw verlaten. Mensen die de grens over gaan zijn over het algemeen uitgesprokener dan de gemiddelde Nederlander. Het type werk (de uitdaging, het durven verleggen van grenzen) trekt een bepaald type mens (zelfstandig, avontuurlijk, romantisch, eigenwijs). Geen wonder dat het in teams regelmatig mis gaat. Ook de eigenheid van uitgezondenen kan een missie doen mislukken.

Conclusie: een hoger dan gemiddeld risico op problemen met uitzendingen over de grens zit per definitie ingebakken. Kijk daar niet van op: verschillende persoonsgebonden- en niet-persoonsgebonden factoren die met het type werk en het type mens te maken hebben, kunnen sneller dan bij leven en werk in Nederland leiden tot voortijdige beëindiging van uitzending. Member care is daarom van groot belang: uitgezondenen zijn te kostbaar om zomaar kwijt te raken. Onder het motto ‘too valuable to lose’ vragen we aandacht voor netwerken waarbinnen uitgezondenen functioneren en focussen we op het belang van gevoel voor verhoudingen.

3. Basis
In de kerk mogen en moeten we beginnen bij het niveau waarop God ons in Jezus Christus samen zet: kinderen van God. Wij kunnen in de kerk nooit hoger uitkomen. Wij kunnen de in de kerk nooit lager vallen. Wij zijn en blijven ieder afzonderlijk en allemaal samen kinderen. Dat is de gemeenschappelijke identiteit van Pi uit Papua, Chang uit China, Zhenga uit Zuid-Afrika, Klapa uit Kroatië, Onur uit Oezbekistan, Thérèse uit Togo, Lhakpa uit Laos, Bolívar uit Bolivia, Dauby uit DR Congo en’N(N) uit Nederland (vul je eigen naam maar in).

Onder die kinderen met een gemeenschappelijke identiteit is verschil in hoedanigheid: arm en rijk, bruin en blank, vervolgd en vrij, besneden en onbesneden. Oftewel: naast contact is er ook sprake van contrast. Dat is vandaag zo. En dat loopt niet altijd even soepel. Dat was in de tijd van de bijbel ook zo. Ook toen liep dat niet altijd even soepel.
Denk aan de stormachtige geestelijke groei over grenzen en culturen heen en de reacties daarop die Lucas in Handelingen beschrijft . We zoomen in op Hd 15, de eerste internationale kerkelijke bijeenkomst. Toen Paulus en Barnabas vertelden hoe God in Klein Azië voor de heidenen de deur naar het geloof had geopend, eisten enkele leerlingen uit Judea dat de broeders zich moesten laten besnijden. Dit overeenkomstig het door Mozes overgeleverde gebruik, omdat ze anders niet konden worden gered (vs 1). Verschil in taal en achtergrond blijkt een goede voedingsbodem voor conflict: grieks – aramees. En niet te vergeten de discussie over de oudste rechten in de kerk. Feitelijk zeggen de leerlingen uit Judea: ‘de kerk is in Jeruzalem begonnen en dus moeten de heidenen ook besneden worden en zich aan de wet van Mozes houden’. Gelukkig grijpt de kerk in op internationaal niveau. Het ging er heet aan toe bij de evaluatie van de eerste zendingsreis. Blijkbaar kan de kerk dat wel hebben. Dan staat Petrus op (vs 7). Toen hij weer ging zitten was het stil, en luisterde iedereen naar Barnabas en Paulus die vertelden over Gods grote daden onder de heidenen (vs 12).
Hoe is het mogelijk! Wat heeft Petrus gezegd? Twee dingen. In een persoonlijk getuigenis herinnert Petrus er aan hoe laat het is op de klok van God: God heeft blijk gegeven van zijn vertrouwen in de heidenen door hun de Heilige Geest te geven, zoals Hij die ons ook gaf. Hij maakt geen onderscheid tussen ons en hen, want Hij heeft hen door het geloof in de Here Jezus gereinigd (vs 8-9). In een historisch getuigenis herinnert Petrus vervolgens ook aan het fiasco van onze eigen vroegere manier van leven: wij hebben de wet niet kunnen volbrengen. Onze voorouders ook niet. Dat juk moeten wij de heidenen ook niet opleggen (vs 10b). En dan heel scherp: anders trotseer je God (vs 10a). Combineer je die twee getuigenissen, dan gaat het om verootmoediging over Israëls eigen verleden en vreugde over het door Israëls God gegeven heden: ‘we geloven dat we alleen door de genade van de Heer Jezus gered kunnen worden, op dezelfde wijze als zij’ (vs 11).
Ook vandaag gaat het er in de internationale oecumene vaak heet aan toe. Kunnen we dat als kerken hebben? We hopen vurig dat er nog Petrussen en Petra’s zijn die eerlijk zijn over ons eigen verleden: net als onze voorouders hebben wij niet kunnen volbrengen wat God van ons vraagt ( vs10b). We hopen ook dat we samen blij zijn met wat God ons uit genade in Jezus Christus geeft: redding (vs 11). Verder hopen we dat vereenzelviging in schuld én vrijspraak vandaag over grenzen en culturen heen nog steeds zoveel te denken geeft als toen: daarop zwegen alle aanwezigen (vs 12a). We hopen ook dat de stilte vervolgens niet opgevuld wordt met wat wij gepresteerd hebben, maar met de verkondiging van Gods grote daden (vs 12b).
Wat we ook vurig hopen is dat dan net als in Hd 15 de Schriften open gaan. Jakobus, de broer van Jezus, ondersteunt de woorden van Petrus met een getuigenis uit de Schrift (Am 9:11-12): ‘Ik zal het vervallen huis van David herbouwen, zegt God, zodat de mensen die overgebleven zijn de Heer zullen zoeken, evenals de heidenen over wie mijn naam is uitgeroepen’ (vs 18). Op basis van de Schrift stelt Jakobus: er is continuïteit (herbouw) én vooruitgang (uitbouw) in Gods weg en werk door de eeuwen heen! Gelukkig blijft Jakobus ondertussen met twee benen op de grond staan. Hij weet dat je ook concreet moet worden en getuigt van vergaderkwaliteiten door één en ander ter plekke in een concreet voorstel te gieten, wat de internationale kerkelijke vergadering unaniem overneemt (vs 20,28-29a): ‘in overeenstemming met de Heilige Geest hebben wij besloten u geen andere verplichtingen op te leggen dan wat strikt noodzakelijk is: onthoud u van offervlees dat bij de afgodendienst is gebruikt, van bloed, van vlees waar nog bloed in zit, en van ontucht.
We horen er twee dingen in :

1) Een christen hoeft geen jood te worden om gered te kunnen worden (vs 28). Net zo min als de christen-joden zichzelf geen extra last opleggen dan de last van Christus, leggen zij die ook de christen-heidenen niet op. De eerste internationale kerkelijke vergadering zegt: geen andere last. Christus is ons genoeg!

2) Een christen mag geen heiden blijven om te kunnen worden gered (vs 29). Net zoals de christen-joden alle andere ‘verlossers’ verwerpen, moeten de christen-heidenen dat ook doen. De eerste kerkelijke vergadering zegt ook: weg met alle ballast. Christus is ons alles!
Dat besluit is superradicaal en tegelijk onwijs bevrijdend: alles draait om Jezus Christus. Het gaat in de christelijke kerk ten diepste niet over verschillen in hoedanigheid als grieks of aramees, bruin of blank, arm of rijk, onbesneden of besneden, mannelijk of vrouwelijk, oudste of jongste rechten, maar over onze gemeenschappelijke identiteit in Jezus Christus: kinderen van Vader in de hemel. Zo komen wij in de kerk niet tegenover elkaar te staan maar naast elkaar, en samen onder Jezus Christus. Zo ontdekken P(i) uit Papua, C(hang) uit China, Z(henga) uit Zuid-Afrika, K(lapa) uit Kroatië, O(nur) uit Oezbekistan, T(hérèse) uit Togo, L(hakpa) uit Laos, B(olívar) uit Bolivia, D(auby) uit DR Congo en N(N) uit Nederland en al die anderen hun gezamenlijke basis over grenzen en culturen heen: onder een open hemel contact (gemeenschappelijke identiteit) en contrast (verschillende hoedanigheid) aan de voet van het kruis van Christus.

blok-figuur1 (67k image)

FIGUUR 1

Begin persoonlijk en samen steeds weer bij dit begin. Kom hier onderweg persoonlijk en samen ook steeds weer terug. Want als wij elkaar niet voor alles en in alles onder een open hemel aan de voet van het kruis van Christus ontmoeten, dan ontmoeten wij elkaar nergens. Eerste vereiste voor uitgezondenen, leden van zendende instanties en partners overzee is dan ook: gevoel voor je persoonlijke en onze gezamenlijke verhouding tot God en tot elkaar: samen naast elkaar onder Christus. Wie dit basisgevoel voor verhoudingen over grenzen en culturen heen heeft ontvangen ligt op koers: ‘u doet wat juist is. Het ga u goed!’ (Hd 15:29b). Zo zorg je voor elkaar in de kerk. Zo ontmoet je elkaar in de kerk. Zo zing je samen in de kerk . Zo liggen wij samen op koers, houdt die vast, goede reis!


Deel 2: de geschiedenis

4. Gezonden in de wereld
In kerkelijk missionair werk over de grens vanuit de GK(v) kun je drie fases onderscheiden : a) zending, b) zending en (jonge) kerk en c) oecumenische assistentie aan (zuster)kerken.

Fase 1: zending
Na de Vrijmaking van 1944, de afschaffing van de zendingsorde en het niet herbenoemen van zendingsdeputaten in 1951, ontplooiden plaatselijke kerken initiatieven om gehoor te blijven geven aan de roeping tot evangelieverkondiging tot aan de einden der aarde. Na verloop van tijd ontstonden er in plaatsen als Enschede en Bunschoten-Spakenburg commissies, die namens kerken in de regio zendelingen stuurden naar gebieden waar mensen Christus nog niet kennen en nog geen kerk is. De beweging is van plaatselijke kerken (A) via een commissie (B) die zendelingen (C) over de grens stuurt om een kerk (D) te institueren. (Impliciet) doel van de zending is bekering van de heidenen en planting van de kerk, tot eer van God .


blok-figuur2 (51k image)

FIGUUR 2

Op dit moment heeft de GK(v) geen zendingswerk over de grens. Dat kan (weer) komen.

Fase 2: zending en (jonge) kerk
Wanneer broeders en zusters zich tot Christus hebben bekeerd en de kerk geïnstitueerd is verandert zowel de doelstelling van het werk als de taak en de positie van zendelingen. De (soms impliciete) doelstelling is vaak opbouw van de kerk van Christus, ontwikkeling van het kerkverband en verbetering van de leefomstandigheden van met name kerkleden. In het werk ligt de focus op training en begeleiding van inheems kader (kerkenraden, predikanten, onderwijzers, medisch personeel, vormingswerkers). Qua positie dragen de zendelingen niet langer ambtelijke verantwoordelijkheid voor de verkondiging van het Woord, de bediening van de sacramenten en de kerkelijke tucht, maar staan ze in dienst van de ontwikkeling van de kerk en het kerkverband. De beweging is van plaatselijke kerken (A1) via een commissie (B1) die zendelingen (C1) de grens over stuurt om een kerk te helpen bij training van kerkleden (D) en begeleiding van (toekomstig) kerkverband en kerkelijk kader (E).

Complicerende factor was regelmatig dat de zendende kerken de taak van hun commissies beperkten tot opleiding en ondersteuning van de verkondiging van het Woord, terwijl de daad werd overgelaten aan het particulier initiatief van de kerkleden die zich al dan niet in een vereniging organiseerden. Feitelijk was er dus - zeker sinds de oprichting van verenigingen als Mesoz en Meschobor (in 1978 opgegaan in de vereniging De Verre Naasten) - nog een tweede beweging, namelijk van particuliere kerkleden (A2) via een vereniging (B2) die ontwikkelingswerkers (C2) de grens over stuurt om een locale partner (E) te helpen met (het opzetten van) projecten op het gebied onderwijs, landbouw en medische zorg met als doel de leefomstandigheden van met name de kerkleden (D) te verbeteren.


blok-figuur3 (58k image)

FIGUUR 3

Het behoeft geen betoog dat de organisatie op het thuisfront makkelijk kon leiden tot spanningen tussen commissies van zendende kerken enerzijds en de vereniging De Verre Naasten anderzijds, zeker als missie, visie en beleid niet (helemaal) parallel lopen en je wel dezelfde kerkelijke achterban hebt. Het behoeft ook geen betoog dat de organisatie overzee makkelijk kon leiden tot spanningen tussen zendelingen enerzijds en ontwikkelingswerkers anderzijds, zeker als je strategisch niet (helemaal) op één lijn zit en je wel dezelfde kerkelijke doelgroep hebt. Het behoeft zeker geen betoog dat broeders en zusters overzee niet begrepen waarom woord en daad niet letterlijk en figuurlijk hand in hand gingen, zeker als zendelingen en ontwikkelingswerkers uit dezelfde kerk afkomstig zijn en overzee in dezelfde kerk werken.
Theoretisch doet de GK(v) nu geen werk in een (jonge) kerk over de grens: we hebben overal met zelfstandige kerken te maken. Praktisch gezien is het echter de vraag of wij deze fase volledig hebben afgesloten. Ik kom daar nog op terug.

Fase 3: oecumenische assistentie aan (zuster)kerken
Wanneer er sprake is van een wederzijdse relatie tussen twee kerkrechtelijk gelijkwaardige kerken is de fase van oecumene aangebroken en verandert de doelstelling opnieuw. De focus ligt op beleving van de eenheid in Christus, onderlinge bemoediging en uitwisseling, in de praktijk veelal gecoördineerd en vorm gegeven door deputaatschappen van beide kerken. De beweging is van plaatselijke kerken hier en daar via een (landelijk) deputaatschap of een board naar elkaar. Deze bilaterale oecumene is vaak ingebed in een vorm van multilaterale oecumene, denk aan de International Conference of Reformed Churches (ICRC).
Binnen een oecumenische relatie kan tevens sprake zijn van oecumenische assistentie: een hulpbehoevende kerk kan met een vrij en goed geweten aanvullende hulp (blijven) vragen aan een kerk die ruimer in z’n jasje zit. Naast kerkrechtelijke gelijkwaardigheid van beide kerken is er soms namelijk ook (grote) ongelijkheid in beschikbare middelen en mogelijkheden. We stuiten hier op het probleem van de zgn. ‘global rift’: de kloof tussen zuid en noord, arm en rijk, zwart en blank. Die kloof lijkt niet te overbruggen. Gelukkig mogen kerken elkaar over de kloof heen tot een hand en voet zijn. Komen kerken tot overeenstemming over inhoud en vorm van de complementaire hulp dan is er binnen de oecumenische relatie ook sprake van oecumenische assistentie. Een onvermijdelijk spanningsveld is meteen duidelijk: in de onderlinge relatie is altijd tegelijkertijd sprake van symmetrie (gelijkwaardige posities) én a-symmetrie (ongelijke verdeling van middelen en mogelijkheden). Dit continue spanningsveld zorgt over en weer in alle geledingen helaas voor veel onbegrip, frustratie, verdriet en pijn. Benoem het spanningsveld eerlijk en besef dat wij als kerken en jij als uitgezondene niets hebt dat wij niet van God hebben ontvangen.
Doelstelling van het werk is in deze fase opbouw van de kerk van Christus, verbreiding van Gods eer en verbetering van de leefomstandigheden van met name kerkleden. In het werk ligt de focus op aanvullende hulp bij theologische training, basisgezondheidszorg, micro kredieten en institutionele versterking. De beweging is van een kerk (D) via een board (E) naar een deputaatschap (B), waarin zowel leden van plaatselijke kerken (A1) als regiocoördinatoren van De Verre Naasten (A2) participeren. Vaak zijn de kerken via hun board of deputaatschap vertegenwoordigd in een groter (wereldwijd) geheel (F). De positionering van uitgezondenen is volop in discussie. Idealiter vallen ze onder de board van de partnerkerk (E). In werkelijkheid is er (ook) vaak nog een directe lijn van deputaatschap (B) naar uitgezondenen (Gc).

blok-figuur4 (62k image)

FIGUUR 4

We constateren drie structurele verbeteringen: 1) In veel deputaatschappen op het thuisfront participeren zowel leden van plaatselijke kerken als regiocoördinatoren van DVN; 2) Woord en daad worden beide opgevat als kerkelijk werk; 3) Uitgezondenen zitten anno 2008 vrijwel altijd in één (multicultureel) team. We constateren ook twee structurele moeiten: a) De (nog steeds groeiende) kloof tussen arm en rijk; b) De ambivalente positionering van uitgezondenen (de diverse oorzaken moeten we nu laten rusten).
Drie vereisten voor alle betrokkenen zijn zonneklaar: gevoel voor de kloof tussen arm en rijk, gevoel voor de fase waarin het kerkelijk missionair werk zit en gevoel voor de positie die je als uitgezondene, als lid van een zendende instantie en als kerken overzee in die fase hebt.
Inzoomend op de ambivalente positionering van uitgezondenen in fase drie, behoeft het geen betoog dat (zuster)kerken daarmee uitgezondenen nog een tweede onvermijdelijk spanningsveld in de maag splitsen: val ik onder de board van de partnerkerk of onder het deputaatschap in Nederland? Kijk niet gek op wanneer uitgezondenen soms overal tussendoor fietsen. Vraag je als (zuster)kerken liever af of je op het punt van de positionering van uitgezondenen echt aan member care doet.
Theoretisch zit anno 2008 vrijwel al het kerkelijk missionair werk van de GK(v) over de grens in fase drie. Als het gaat om de positionering van uitgezondenen zit veel werk in de praktijk echter (ook) nog in fase twee.

5. Missionaire wereldwerkers
Er zijn ook mensen die niet in het kader van kerkelijk missionair werk de grens over gaan maar wel graag uitgezonden willen worden, bijvoorbeeld naar een land in de zgn. gesloten gebieden. Ook dan heb je veel gevoel voor verhoudingen nodig. De beweging is van je plaatselijke kerk (pastorale en sociale zorg) en een speciaal opgerichte thuisfrontcommissie (financiën), via een christelijke hulpverlenende organisatie (professionele begeleiding), naar een locale partnerorganisatie of een team van mede-wereldwerkers overzee en dat met het oog op een project ten bate van een doelgroep.
Ook hier geldt dat drie vereisten voor alle betrokkenen zonneklaar zijn: gevoel voor de kloof tussen arm en rijk, gevoel voor de fase waarin het werk zit en gevoel voor de positie die je als missionaire wereldwerker binnen een ontvangende (locale/nationale) organisatie hebt.


Deel 3: de praktijk

6. Dagelijks leven
Niet alleen structureel gezien, ook praktisch gezien heb je over de grens veel gevoel voor verhoudingen nodig. Je leeft en werkt vaak in een setting die sociaal-economisch gekenmerkt wordt door (uitzichtloze) armoede en die politiek gezien conflictueus is. Dat kost veel energie. Overdag in de contacten met mensen om je heen. ‘s Avonds in je doorgaans comfortabele en beveiligde huis (of hoor ik nu toch iets verdachts?) in contact met jezelf (en God). In de context waarin je zit hebben mensen verder vaak een collectief minderwaardigheidsgevoel: ze zijn (in het verleden) bewust of onbewust klein gehouden, stellen zich daarom vandaag nog vaak passief op en hebben ook echt een grote achterstand op je als het gaat om middelen, mogelijkheden, kennis en vaardigheden. Meestal heb je ook te maken met een hiërarchisch gestructureerde (kerkelijke) samenleving, waarin (oudere) mannen van het eerste uur de touwtjes in handen hebben en willen houden. Jij komt echter uit een platte democratie, bent meestal nog jong, komt over de grens nog maar net kijken en bent waarschijnlijk net als je (vele) voorgangers over een paar jaar weer weg.
Ook op en rondom het erf heb je allerlei lijntjes. Je hebt internationale contacten met mensen van andere zendingsgenootschappen. Op de internationale school ontmoeten jij en je kinderen van maandag tot en met vrijdag de high society, terwijl je zondags tussen je broeders en zusters zit die onder de armoedegrens leven. Het ene moment geef je een cursus in een klein kerkje en eet je na afloop een oliebolletje, even later zit je bij een villa aan de rand van het zwembad om je zoon op te halen van een feestje en kun je kiezen uit vijf soorten gebak.
Werk je met meer Nederlanders in een team dan doe je ook privé vaak veel samen, zeker als gezinnen met kinderen (eten, spelen, logeren, bijbelklas, zwemvierdaagse etc). Keerzijde is: je ziet en weet veel van elkaar (weinig privacy). Je merkt ook dat je niet met iedereen even goed kunt opschieten en dat je zomaar mee roddelt. Werk je in een multicultureel team dan moet je je aanpassen aan de normcultuur die soms net zo vaak wisselt als de teamleider wisselt.
Vaak heb je over de grens ook allerlei personeel, zowel in huis als op het erf. Dat is heerlijk omdat ze je veel praktisch werk uit handen nemen, advies geven als er weer iemand aan de poort klopt om hulp en je vertellen hoe je cultureel het beste kunt reageren in de omgang met de man in de straat en met politieagenten die huiszoeking komen doen. Het vraagt ook om veel wijsheid en fijngevoeligheid, zeker als iemand voor de zoveelste keer met een bonnetje van de apotheek komt omdat z’n dochter weer malaria heeft.
Ook als gezin heb je veel gevoel voor verhoudingen nodig. Kinderen (en vooral hun ouders) moeten wennen aan een ander schoolsysteem met relatief veel huiswerk (en thuis nog Nederlandse les). (Simpele) ziektes als diarree en lusteloosheid geven meer stress (heeft ‘ie misschien ook malaria?). Door de regelmatige wisselingen in het team heb je veel kortlopende contacten en moet je vaak afscheid nemen. Ook voor kinderen vaak niet leuk: heb je net iets opgebouwd gaan ze weg. Als gezin ben je erg op elkaar aangewezen. Dat heeft goeie kanten: je leert je te redden met wat je hebt gekregen. Het is ook pittig: het kringetje is klein. Een goed huwelijk is sowieso belangrijk maar je merkt het over de grens sterker. En dan zijn er nog de ongemakken zoals regelmatig geen brood, stroom, water of benzine. Flexibiliteit en creativiteit is over de grens niet alleen wenselijk maar absoluut een must.
Humor en zelfspot trouwens ook. Wie niet meer hartelijk om zichzelf kan lachen moet beseffen dat het stoplicht op oranje staat. Ben je cynisch geworden dan staat het licht op rood en moet je stoppen. Belangrijk vereiste voor een uitgezondene is dus ook gevoel voor hoe het met jezelf gaat: Houd ik nog van de mensen? Reageer ik nog onbevangen? Zit ik lekker in m’n vel? Hulpmiddelen om zicht te krijgen en te houden op je eigen functioneren zijn bewustzijn van je kwaliteiten, valkuilen, allergieën en uitdagingen (het zgn. kernkwadrant), gesprekken met een goede kameraad op een relaxte locatie (onder de mangoboom of zo) en intervisie.

7. Trends
We stippen nog een paar trends aan. Sociaal-maatschappelijk gezien wordt onze democratie steeds platter: gezag en respect zijn niet gekoppeld aan positie en leeftijd maar moet je afdwingen. Over de grens zijn we dat natuurlijk niet opeens kwijt. Binnen de GKv bezinnen we ons op onze identiteit. Dat zal (kerkelijk missionair) werk en werkers overzee beïnvloeden. Omgekeerd zullen de ervaringen in het buitenland hun impact hebben en bij terugkomst gespiegeld worden aan wat je meekreeg in de kerk waarin je opgroeide. Sommige dingen zul je relativeren. Andere dingen juist opnieuw waarderen.
Bij gezinnen merk je dat vrouwen ook steeds meer officieel in dienst zijn en binnen het team hun eigen werk hebben. Ook komen er steeds meer oudere uitgezondenen waarvan de kinderen in Nederland achterblijven. Kijk je naar de motieven om de grens over te gaan, dan spelen avontuur, romantiek, schuldgevoel, religieuze kick en verdieping van eigen geloofsleven duidelijk mee. Ook is er toenemende onzekerheidsvermijding en behoefte aan controle: voor vertrek, in het veld en na terugkeer regelen we alles graag tot in de puntjes. Er is vast meer. Inventariseer de ontwikkelingen en bespreek de kansen en valkuilen open.

8. Conclusie
Vereisten voor alle betrokkenen bij kerkelijk missionair-oecumenisch werk, in het bijzonder voor wie de grens over gaan, zijn:
gevoel voor je persoonlijke en onze gezamenlijke verhouding tot God
gevoel voor onze verhouding tot elkaar in Jezus Christus
gevoel voor de kloof tussen arm en rijk
gevoel voor de fase waarin het werk zit
gevoel voor je positie die in die fase hebt
gevoel voor je eigen functioneren in alle verbanden

9. Aanbevelingen
Een paar aanbevelingen omdat uitgezondenen te kostbaar zijn om zomaar kwijt te raken.

Werving
- Begin elke profielschets van uitgezondenen, regiocoördinatoren en commissieleden (uit)zendende instanties met gevoel voor verhoudingen.
- Noem de vereiste niet-technische kwaliteiten want ‘of deskundigen in ontwikkelingslanden bij de bevolking succes hebben, hangt althans in het beginstadium meer af van hun persoonlijkheid, met name hun vermogen om persoonlijke relaties tot stand te brengen, dan van hun technische bekwaamheden.
- Vermeld de benodigde technische kwaliteiten.
- Geef een duidelijk profiel van de uitgezondene en zijn of haar taakomschrijving.
- Geef aan dat een medische test en een onafhankelijk assessment bindende onderdelen van de selectieprocedure zijn en dat de definitieve beslissing over uitzending na de opleiding volgt.

Selectie
- Vraag een tropeninstituut om een medische test en een erkend bureau om een onafhankelijk assessment waarin vooral gelet wordt op niet-technische kwaliteiten
- verhouding tot jezelf (zelfkennis, stabiliteit huwelijk en gezin);
- verhouding tot je verre naaste (sociaal, communicatief, (multicultureel) teamspeler, omgaan met andersdenkenden, armoede, hiërarchie, mensen die je belazeren etc).
- Bind je bij voorbaat aan de uitkomst van de medische test en het assessment.
- Bedenk een creatieve vorm om gevoel voor verhoudingen te toetsen en te vormen.
- Praat naast de taakomschrijving ook over de taakopvatting: mag een collega op je
- vrije dag ook wat vragen? En omgekeerd: stel je grenzen aan je dienstbaarheid? Besef: ‘Wanneer ontwikkelingswerkers zichzelf vooral zien als deskundigen, is de kans dat hun kennis vrijwillig wordt overgenomen geringer dan de kans op succes van afweermechanismen als passiviteit, overdadig prijzen of isolering.
- Confronteer beoogde uitgezondenen met je gedragscode (wil men zich schikken?).
- Beoordeel geschiktheid mede op grond van de samenstelling van het team.
- Neem een voorlopige beslissing over de uitzending.

Opleiding
- Bouw interculturele trainingsessies en/of stages in om beoogde uitgezondenen ruimte te geven voor voortgaande zelfselectie: ‘wil ik dit echt?’
- Leg meer nadruk op andragogiek (sociale vaardigheden binnen een andere cultuur) door:
- bewustmaking van vanzelfsprekendheden in onze (westerse) intermenselijke verhoudingen om overzee in allerlei voor ons niet-vanzelfsprekende verhoudingen te kunnen functioneren;
- hulp bij de voorbereiding om met het opgedane gevoel voor verhoudingen straks overzee te leven en te werken binnen de daar geldende structuren en verhoudingen.
- Speel roeping en opleiding niet tegen elkaar uit: ze moeten elkaar aanvullen.
- Maak duidelijke afspraken over de positionering van de uitgezondene, rapportage, functioneringsgesprekken, duur (bijv 2x2 of 2x3 jaar) en tussentijdse evaluatie van de uitzending.
- Neem een definitief besluit over duur en tussentijdse evaluatie van de uitzending.

Begeleiding
- Kom gemaakte afspraken na.
- Zorg voor externe sparringpartners c.q. uitlaatkleppen voor uitgezondenen.
- Check of uitgezondenen hartelijk om zichzelf blijven lachen (hun omgeving doet dat ook). Laat ze stoppen bij cynisme.
- Laat uitgezondenen voor vertrek, op elk verlof en na terugkeer spreken met specialisten op het gebied van transculturele psychologie (mensen die inzicht hebben in de processen die een rol spelen wanneer je de grens over gaat, in de eisen die leven en werken in een andere cultuur stelt en die weten wat het is om weer terug te komen).

Debriefing
- Gun uitgezondenen tijd en ruimte om ervaringen over de grens een goede plek te geven: benoem voorbereiding op terugkeer en reïntegratie in Nederland expliciet in het traject.
- Zorg als (uit)zendende instanties voor een forum zodat uitgezondenen hun verhaal kwijt kunnen. Bied ze tevens de gelegenheid om ‘tussen daar en hier’ met andere uitgezondenen terug te blikken en vooruit te kijken.


Enige literatuur
Bac-Fahner, M.G., Van heinde en ver(der). Aandachtspunten bij de re-entry van adolescente third culture kids (Amersfoort 2001 2e druk) Instituut voor Transculturele en Missionaire Psychologie (www.itmp.nl).
Bakker, N. (et al.), Kinderbagage: met kinderen naar ontwikkelingslanden, uit en thuis (Utrecht 1991 2e druk).
Drewes, B. (et al.), Los in je vel. Relationele vaardigheden in een andere cultuur (Oegstgeest 1993) Liber amicorum voor Nel H. Voltelen.
Groenen, I., Vanuit de partner gezien (Amsterdam 1992 2e druk).
Meissner, J.W.G., Psychisch gezond blijven in de buitengewone situaties van zending en evangelisatie (Zwolle 1996) GMO bulletin nr. 4, met informatie over ITMP (Instituut voor Transculturele en Missionaire Psychologie).
O’Donnell, K. (ed.), Doing Member Care Well. Perspectives and Practices From Around the World (Pasadena 2002).
Pirolo, N., Enkeltje thuis. Of: wat het thuisfront moet weten als een zendeling terugkeert (Amersfoort 2001).
Reed, L.E., Preparing Missionaries for Intercultural Communication. A bicultural Approach (Pasadena 1985).
Roembke, L., Multikulturelle Teams. Risiken und Chancen (Giessen 2000).
Slors, P.A., Huispersoneel, raakvlak met andere culturen (Amsterdam 1987).
Voltelen, N., Andragogiek. Sociale vaardigheden binnen een andere cultuur (Oegstgeest 1994) (niet gepubliceerde syllabus Hendrik Kraemer Instituut).
Vonkeman, H., Door Zoeloes geboeid. Zendingsontmoetingen in Afrika (Kampen 1995).
Vossestein, J. Zo werkt dat in Nederland (Amsterdam 1998) (vertaling van ‘Dealing with the Dutch’).




Dit artikel werd geschreven door M.J.C. Blok.
Dossier: Missiologica.